HET AVONDROOD omspant de laaggelegen horizon en zet de Noordzee in volle lichterlaaie. Formaties cumulus wolken drijven statig hoog in paars, geel en goud. De buren staan op de dijk. Ze hebben geen aandacht voor de zon en zijn trillingen van het avondlied. Ze hebben het aan de stok. Altijd hetzelfde liedje rond etenstijd. Ze lopen uit mijn gezichtsveld; hun stemmen vervagen. Het venster gaat dicht en ik concentreer mij op de dagelijkse werkzaamheden. Vandaag. Ik blijf thuis vanavond. Ga er niet van tussen. Het is koud en druilerig. Begrijp niet waarom ze in deze kou tijd overhebben voor gekibbel. Over een minuut grijnzen ze elkaar weer toe. Altijd hetzelfde liedje. Ik zei het al. De gordijnen schuif ik dicht. De kachel staat op twintig en in de keuken de zoete aardappelen op negentig. Zo ook de spruiten. Gestoomde groenten. Heerlijk Holland. In een huisje aan de dijk. Niet zo ver van Amsterdam. Het waait flink. De wind is fel en tochtig door de kieren. Maar die heb ik niet. Kieren. Alles zit dicht. Een groen huis. Heel functioneel. Van die kou buiten heb ik binnen dus in het geheel geen last. Geen omkijken naar. Behalve als ik naar buiten ga. Dan trek ik het lekker warm om mij heen. Mij hoor je niet klagen. Voor mij is al het weer OK. Of het nu hagelt of de zon schijnt. Ik heb het allemaal net zo lief. Zo gaat dat in de wereld. Met het klimaat buiten idem dito. Het zal zijn tijd wel hebben. Het kan vriezen en het kan dooien. Zo af toe sneeuwt het in april. Maar nu is het maart.
Ze is er niet meer. Ze is vertrokken. Waarheen, dat weet ik niet. Twee maanden geleden, begin januari, hebben wij haar as uitgestrooid. Maar nu is het maart. Ik ben thuis. Zoals wel vaker. Stoom ik de spruiten enzo. Maar dat wist u al. Ik val in herhaling, maar dat zeggen ze altijd, dat na het eerste deel van het verhaal het tweede deel eerst en meteen dan ook helemaal tegenvalt. Geen gesprekstof meer. Ik praat met een slis, so af en toe. Maar dat is Oud-Hollands. Dat schrijven wij niet meer. Die tijd is voorbij. Het zal zijn tijd wel hebben. Over honderd jaar: it soll hev it’s tid. Of iets anders. Dat kan net zo goed. Net zoals het nu vriest. Van binnen. Buiten eigenlijk, maar ik typte binnen. Het kan verkeren. Een rilling trekt door mijn ruggemerg omhoog en de kou van de wind net, van buiten door het venster, trekt langs mij heen, de hal van mijn woning aan het water in en ik loop naar de keuken. De haard staat aan. De spruiten zijn bijna gaar. Ik hou van spruiten met een stevige beet, wat boter en snufjes zout en nootmuskaat. Dat is niet te versmaden op een koude winterdag in Holland. Maar ook dat wist u al. Begin seniel te worden. De ouderdom komt met rasse schreden. Ben wel zo fit als een hoentje. Gelukkig maar. Als dat zo doorgaat dan ben je er niet meer. Voordat je het weet. Heeft ie je te pakken. Ie je. Dat klinkt wel mooi. Ie je. Ik ruik de aarde al. Het avondland is gekomen. Nadert met rasse schreden. In leer getooide schoenen. Ik loop naar de woonkamer. Ga achter de klavecimbel zitten en sla de si aan. Voor de rest niets. Resoneert mooi na. Wie is die man die daar over de dijk loopt? Ken ik niet. Is vast de laatste keer dat ik hem zie. Ga naar de keuken. De spruiten zijn gaar. Ik giet ze af en doe de ingrediënten er bovenop. Neem een hap. Nog een. Lekker. Precies goed. Net als de zoete aardappelen. Echt stevig groen en wit. Ik eet graag van de kleuren. Is gezond. Morgen rode kool. Met geel-groene appels. Is net zo gezond, maar wel anders. Iedere dag weer wat anders. Ie de re. Klinkt ook mooi. Ie de re. En Ie je. Hij en zij. Wij. Ik schep het eten op een bord boerenbont. Ga op Safari. Later. Rond achten komen de kinderen en gaan wij naar het draaiorgel op het kerkplein. Ze zijn nu bij mij. Voor een paar maanden. Ze zijn ook al in vijftig. En allang geen kinderen meer. Ik ben oud en zo fit als een hoentje. Eva is er niet meer. Er valt een traan op het eiken. Nog een. Wat een avonturen waren dat. Onze tijden samen. Het was mooi. Ik hou van haar. Nog altijd. Dat gaat nooit voorbij. Ook nu ze er niet meer is. Verstrooid. Zo voel ik mij. Het gaat goed met mij. Ben zo fit als een hoentje. Alleen geestelijk wil het niet meer zo. Begin af te takelen en soms vergeet ik dingen. Ben ook verdrietig. Niet vanwege mij of om het leven. De meest eenvoudige dingen. Dingen die ik zoëven deed. Verrek het eten. Heb het boek over ons leven net af. Over al onze avonturen. Voordat ik het vergeten ben. Je weet het maar nooit. Voor hetzelfde geld ben ik zo de pijp uit. Word je door een vrachtauto overreden. Dat kan ik niet hebben. Effe pissen. Het klettert goed geel tegen het porselein. Kan pissen als een reiger. Til een been omhoog. Echt lachen. Nu dwars als een hond. Midden in de pot. Staan de buren nog steeds buiten te keffen? Voordat je het weet ben je er niet meer. Je het. Het einde van deel twee van onze reeks. Eerste deel was Blauwe Aarde. Tweede deel ook. Heet alleen deel twee: HaRPSiCHoRD. Het leven is zo voorbij. Eva is er niet meer. Zie haar nooit meer. Godverdomme wat voel ik mij klote. Scheld nooit. Maar nu wel. Hoe was het ook alweer? Haar stem hoor ik nog steeds. Haar klaterende lach. De klank van haar stem. Die van mijn vader ben ik vergeten. Hoe mijn moeder mij streelde, dat weet ik al lang niet meer. Zal wel lief zijn geweest. Eva streelde mij altijd vol belangstelling. Ieder vezeltje van mij wist ze vol genegenheid te beroeren. Maar nu nooit meer. Ik heb je aanraking nodig. Als de maan de kracht van de aarde. Je slanke vingers over mijn voorhoofd, mijn wenkbrauwen. Vergeet ik nooit. Je voetstappen zie ik uitgetekend in het natte zand. Ik trek haren uit de borstel uit Parijs en doe ze in de wc pot. Trek ze door. Verrek het eten. Ren de keuken in en neem het boerenbont van tafel. Ziet er lekker uit. De hitte slaat van de groenten af. Mmm. Echt lekker en knapperig. Zo, dat is lekker. Net genoeg. Ik ruim de keuken op. Het werk voor vandaag zit er op. Zo gaat dat. Haar as hebben wij met z’n drieën; ik Adam, mijn dochter Evgeniya en stiefzoon Daniil, in een tiental kokosnoten gestrooid en midden op de rustige, in de kokende zon badende, baai van Pattaya losgelaten. De zee was licht en helder, transparant blauw. Mammatus wolken dreven later nader tot ons. Hadden wij nog nooit eerder gezien. Volgens Evgeniya zat Eva er achter verborgen. Denk het ook. Was haar afscheidscadeautje. Aparte wolken; net een wollig gekrulde wattendeken. Ze zat er bovenop. De golven werden hoog en wild en wij moesten snel terug varen naar de kust. Wij hebben, onder de beschutting van een tropisch houten dak gezeten, tot haar geproost, naar de dichte wolken. Ik vertel je dat wij allemaal moeten sterven. De moeder van onze kinderen is niet meer. Ze heeft de aarde verrijkt met haar daden, haar gedachten; de zee met haar grijze, korrelige as. De kokosnoten zijn zeker gezonken toen de storm losbrak. Omarmt door het zand op de bodem van de zee. Uit het levende vertrokken. Van daaruit begint de transformatie. Dankzij de transformatie worden wij geboren. Zijn wij allen. Voor mij is het avondland aangebroken. Ik ga zitten in de lederen fauteuil voor het vensterraam, schuif het gordijn opzij en kijk over het land, de zee in zicht. Een catamaran scheert over de grijsgroene golven. Mijn schip hijst binnenkort zijn zeilen. Mijn handen rusten ontspannen op de houten leuning. Waarom scheidt het verraderlijke lot eens wat hij liefdevol heeft samengebracht? Een oud lied opent de deur in mijn hoofd. Een vleug wind waait door de woonkamer. Ik kijk op uit mijn fauteuil, draai mijn hoofd naar de hal met honderd spiegels. Er staat iemand in de deuropening.
‘Je weet wie ik ben,’ zegt hij.
De spreker is een engel. Een goud-geel lieveheersbeestje zit op zijn linkerschouder. Hij sluit zijn ogen en beweegt zijn lippen. ‘Het is tijd dat wij vertrekken.’

De avondzon glanst behaaglijk tot mij
Naar benee over het grazige veld
Ze tekent rust en blijdschap
Een glimlach op eenieders profiel
Een lichtbron stroomt naar benee’
Schaduwen strijken lang en zacht
Teder roeren ze de bloeiende beemd
Over de grasgroene weiden
Stralen druppels de kristallen dauw

Hier in het spel van de westenwind
Klinken vrolijk juichende vogelkoren
Jubelend stijgen immense gevoelens
In mijn rijzende borst omhoog, hoger
Ik adem vol de zoete vreugde
Mijn tempel wordt van stilte vervuld
In mij vloeien kommer en lijden weg
Naar het milde avondschijn

Hij die in het avondrood
De hemel in zijn geheel omspant
En zoet in het nachtelijke gefluit
Op de landerijen het schip doet stranden
Aan jou is mijn edele hart geweid
Dat puur dankbaar gloeit en bloeit
Het slaat nog steeds in volle vreugd’
Als eens mijn lieve leven vliedt