HET IS DONKER en ik word omringd door het hermetische zwart. De gordijnen zijn dicht als in een cinematheek met de naam “Zwarte Maria”. Ik zie niets, zelfs niet een deel van mij. Ik besta niet eens, maar toch weer wel, helemaal alleen, niets voor mij, niets achter mij. Totale rust, geen geluid, geen zuchtje wind. Zonder roer. Zwijgend. De wereld, de hemel is leeg. Lucht en licht is het enige in mij, diep in mijn wezen, net of ik een lichte witte wolk ben, een katoenen wattendeken die zichzelf omarmt. Een ei, dat ben ik. De buitenkant van de kalken schaal is donker. De binnenkant is wit. Niet in staat om te bewegen, zonder durf, angst om in het diepe, of omhoog te vallen, zonder het pad te zien dat voor mij is, ben ik. In deze duizeling, waar geen begin is en geen einde, is slechts een heel klein zeurend stemmetje, dat vertelt dat ik mij vrij moet voelen, klaar om te springen. Ik wil een thuis vinden, een veilige haven, wonderland, ergens, iets, een plek waar ik kan leven, een plek in regenboogland waar het prisma de ruimte doorbreekt. Ik ben ruimte in deze leegte, in dit niets. Met al mijn krachten en daar bezit ik niet veel van, begin ik te bewegen en stommel, val, ik ben versteend en lucht, het bewustzijn is alleen daar, de enige zekerheid, opnieuw en nog een keer.

Ik weet dat er een weg naar buiten is, iets moet er zijn, ik weet dat ik denk, ik ben hier, bestaand bewustzijn, ruimte en ik probeer om naar beneden te gaan, zoek naar de laagste plaats in dit zijn, of zoek ik een plaats in de hoogte? Ik val op mijn knieën, zonder knieën te bezitten, tast met mijn handen, zonder handen te hebben en ik streel de grond, de warme steen, zonder in staat te zijn om te strelen. Ik ben lucht, water, vuur, aarde, zonder deze eigenschappen te bezitten. Centimeter voor centimeter kruip ik in een richting, maar ik weet niet waar dit pad mij zal leiden, of ik bemerk waar ik naartoe kan gaan, waar de beweging is, hoe ik de weg uit deze duisternis kan vinden. Wachtend op het leven om te beginnen, om wakker te worden in een lichaam en zo de andere zijde te bereiken. Een diep verlangen gaat aan de schepping vooraf.

Zonder enige notie van tijd en ruimte, het kan net zo goed een dag zijn, een week, jaren, eeuwen, hoor ik een geluid, het druppen van water op steen, op mijn hoofd, zonder een hoofd te bezitten. Het water drupt een eeuwigheid en bij iedere drup groei ik. Verder beweeg ik en ik bemerk dat het geluid helderder wordt, zonder te kunnen horen. Plotseling is het luider, oorverdovend zelfs, een majestueus geluid van stromend water vult explosief mijn oren. Alleen bezit ik geen oren. Ik val naar beneden, over een rand, dieper en dieper in het niets. Ik val diep door het meevallende water en drink als een hond het doet. Echter een hond, dat ben ik niet.

Nog steeds kan ik niets zien. Ik ben verkleumd in mijn benen, mijn armen, zwak in mijn hart en longen, ik beweeg mij schoorvoetend door het water, tot mijn knieën, mijn testikels, buik, tot aan mijn kin, maar ik bezit nog geen van deze uiterlijke eigenschappen, nog steeds ben ik enkel de gedachte van benen, armen, hart, longen, knieën, testikels, buik en kin. Een visie van licht in de donkere oceaan.

Het water is een geheim; comfortabel en warm. Ze stroomt zo wild dat ik mij met moeite in balans kan houden.

Ik voel geen grond meer onder mijn voeten, dus laat ik alle wil gaan en laat mij met de stroom meevoeren, in een richting die ik niet ken. Ik stoot mijn hoofd tegen een steen. Ik proef de diepe sensatie van mijn zintuigen zonder te weten wat zintuigen zijn en ik raak in paniek omdat ik helemaal onder water ben en bijna geen lucht meer heb om te ademen. Maar kieuwen bezit ik niet, net als longen voor mij onontgonnen terrein zijn.

Terugkeren is onmogelijk, de stroom te sterk, er is niets tegen te doen en ik laat mij meevoeren door het golvende water. Ik moet los laten, de wil om te worden is groter dan ik het ben, ik duik dieper en dieper, nee, stijg ik omhoog de sterrenhemel in? Zo hard mogelijk zwem ik om zo een weg uit deze benarde situatie te vinden, ik wil ademen, maar ik kan het niet, verlies iedere controle, het bewust zijn is sterker dan het fysieke zijn. Het water sleurt mij mee. Ik weet niet hoe lang dit duurt en mijn longen breken open, happend naar lucht, het water stroomt naar binnen en ik hoest, proest het water uit; ik adem zuurstof. Ik adem. Ik leef. Mijn hoofd doet pijn, mijn ogen openen om de omgeving op te nemen.

Ik zie slechts stukjes, mijn vingertoppen, beetje bij beetje neem ik een vorm aan, een glimp van wat mij omringd en ik zie een schaduw in de verte, een silhouet van een knielende vrouw. Ze heeft haar handen in gebed. Voor het eerst word ik geroerd door iets wat buiten mij is en dat terwijl ik niet eens weet wat en wie ik ben.

Een ander.

Het plafond van de grot waarin ik mij bevind is laag en ik kruip verder op handen en voeten. Ik volg het pad in de richting van een minder grijs gebied, in de richting waar ik een opening denk te vinden, om zo de sluier van mijn verwarring op te lichten. Op zoek naar het buiten.

Deze ruimte is groot genoeg om te kunnen staan en zelfs met gestrekte armen kan ik het dak van de grot niet aanraken. Ik zie iets duidelijker, voor mij zie ik een stalagmiet, licht van ver ontluikt op de wand de schaduw van een vrouw. Naast deze schaduw neem ik een andere schaduw waar, in de vorm van het silhouet van een man, slechts een meter van de schaduw van de vrouw. Ik kijk rond en probeer de richting te vinden van het licht, want als er schaduwen zijn, moet er tevens een bron zijn die dit teweeg brengt en ik zie een kleine opening, een schel licht in de verte.

Ik draai mij weer om, in de richting van de twee schaduwen. Ik wacht een tijd en het lijkt alsof ze dichter bij elkaar staan, alsof er beweging in de silhouetten zit. Ze raken elkaar bijna aan, de man en de vrouw. Ik ben verrast, uit het lood geslagen.

De vrouw is lang, heeft volle lippen, een hoog voorhoofd en lang, golvend haar. De man is iets langer en heeft een scherp profiel, de neus in een rechte lijn. Zijn lippen zijn dun en de wangen zijn rond als appeltjes, zoals die van de vrouw. In korte tijd komen de twee silhouetten op de wand dichter bij elkaar en nog dichter. De lippen van de vrouw en die van de man raken elkaar, ze kussen elkaar, ze vermengen zich beetje bij beetje.

Ik ben verrast door deze gebeurtenissen, hoewel het wel is wat ik wil, wat het bewustzijn tot mij zegt, mij heeft opgedragen, de sprong, het koele water, het bestaan, door de intimiteit van deze stalagmieten, die verlicht schaduwen op de muur werpen, die ongegeneerd hun liefde ten toon spreiden. Ik weet niet wat te doen.

De schaduwen vloeien in elkaar en ze laten een vage indruk achter op de muur van de grot. Ze zijn één geworden.

Ik sta op en loop in de richting van het licht dat schijnt. Bij iedere stap wordt het licht helderder. Ik heb vrij zicht, de grot en het buiten breken open. Linksboven is een groot gat, de randen zijn begroeid met grote planten en bomen. Boven het gat is de lucht helder en blauw, kleine wolken drijven langzaam over en verderop, rechts van mij herken ik een tweede gelijkvloerse opening en ik volg het pad dat wijst.

Voordat ik de uitgang van de grot bereik, zie ik in de rechterwand het profiel van een gezicht die blijkbaar in de wand is uitgehakt. Indien ik een stap naar voren doe is het profiel afwezig, doe ik een stap naar achteren, dan is het profiel in de wand niet waarneembaar. Alleen op deze ene kleine plek, met de ogen naar rechtsboven gericht, alleen op deze plaats is te zien dat de wand een scherpe neus onthult, diepliggende oogkassen, een stevig geprononceerde kin. Zijn voorhoofd wordt bekroond met een hoge kuif.

De tijd is ver voor het begin van de geschiedschrijving en ik begeef mij uit de grot.