eva in gesprek met adam

[Foto van onbekende bron van het web]

“VERTEL ADAM. Waarom Blauwe Aarde?”

“Dat wilde ik altijd al doen. Een boek schrijven, maar het was er nooit van gekomen.”

“Een wil is volbracht?”

“Ja. Ik ben blij dat het af is. Aan het vervolg wordt al gewerkt.”

“Zo. Nu alweer een tweede boek?”

“Nou ja, niet nu. Dat duurt wel een tijdje. Het zal nog wel een jaar of twee, drie duren, voordat dat boek klaar is.”

“Heb je al een titel? Wat is het onderwerp?”

“De werktitel is De Ene Noot.”

“De Ene Noot?”

“Ja.”

“Waar gaat dat boek over?”

“Het is een vervolg op Blauwe Aarde. Het wordt een stuk doller in het vervolg. Het wordt anders dan mijn debuut.”

“En Blauwe Aarde?”

“Het boek heb ik in een jaar geschreven en met de nodige correcties heeft het nog eens een half jaar geduurd voordat ik klaar was. Het boek is ontsproten uit oude teksten, gedichten, essays en ander schrijfsel. Ik heb alles in een document gezet en ben van daaruit verder gaan schrijven. Ik had geen idee waar het verhaal heen zou gaan, dus dat was mij wel wat.”

“Een harde dobber?”

“Zo kun je het wel noemen, maar ook verrassend om te zien waar je creatieve vermogen, de karaktervorming, de gebeurtenissen, de dialogen naar leiden. Dat zijn dingen die je als schrijver niet in de hand hebt en ook weer wel. Echt fascinerend vak, dat schrijven. ‘t Is voor mij de eerste keer dat ik iets publiceer. Dus waarom? Tja, wist ik het maar.”

“Je wilde gewoon een verhaal vertellen.”

“Ja. Naar het uiteindelijk bleek te zijn, een verhaal over Adam en Eva in ons huidige tijdsgewricht.”

“Is dat zo?”

“Nou ja, over twee naamgenoten. Over twee mensen die in elkaars ogen tot leven zijn gekomen, uit elkaars leven zijn geraakt en op weg zijn naar… Wat vind je van het boek?”

“Ik was verrast. Goed verrast. Een apart boek. Je schrijft mooi. Het is…”

“Je hebt het boek helemaal uitgelezen. Dat vind ik al heel wat.”

“Ja, tot de laatste bladzijde. Echt een verrassend slot. Wie had dat gedacht?”

“Het is nog maar het begin.”

“Oh? Wie is Adam? En wie is Eva?”

“Wij zijn allemaal Adam en Eva.”

“Dus ik ben Eva en jij bent Adam.”

“Ja, dat is correct.”

“En?”

“Hoezo?”

“Ja, je boek. Je zei zojuist dat het is opgebouwd uit teksten die je eerder hebt geschreven.”

“Niet helemaal. Het waren teksten die ik in de jaren negentig geschreven heb, snippers, aantekeningen, enkele teksten uit een cursus van Willem Jan Otten; ooit winnaar van de Constantijn Huygensprijs. Het waren voor mij losse polsoefeningen; eigenlijk de allereerste literaire schreden. Dat was niet veel hoor. Een pagina of twintig en wat gedichten. Van daaruit ben ik verder gegaan.”

“Wat vond hij destijds van je stukjes?”

“Hij vond ze wel goed, zo weet ik mij te herinneren. Ik heb echter geen tijd gehad om verder te schrijven. Het is er jaren later uiteindelijk toch van gekomen. Ik dacht twee jaar geleden dat het wel eens tijd werd om een boek te schrijven en het is gedaan. Zo is bijvoorbeeld hoofdstuk 7 van Blauwe Aarde voor een deel gebaseerd op een tekst die ik schreef tijdens zijn cursus. Dat was in 1995 of daaromtrent.”

“Heeft hij je boek al gelezen?”

“Nee, dat moet ik hem nog opsturen. Het boek is net uit. Ben wel benieuwd wat hij er van vindt.”

“Dus, Adam… Hoofdstuk 7. Dat is dus eigenlijk het begin van de roman; het moment dat Adam en Eva ter wereld komen. Je bent dus gewoon begonnen met het begin.”

‘Hoe bedoel je?”

“Nou, dat een van je eerst geschreven stukken zich afspeelt in het begin, in de tuin van Eden.”

“Oh ja.”

“En van daaruit is dit verhaal ontstaan?”

“Dat kun je wel zeggen.”

“Je maakt je nogal zorgen in je boek, is het niet? Die nachtmerrie…”

“Ach, het is fantasie… Gelukkig sal alles reg’ kom.”

“Sal alles reg’ kom?”

“Ja, Afrikaans. Weet je wel. Breyten Breytenbach.”

“Breyten…?”

“Een groot schrijver. Zuid-Afrika tijdens het apartheidsregime. Blank voorvechter voor de vrije rechten van de Afrikanen.”

“Oh?”

“Ja. Wij zijn allen gelijk en toch anders, een mensensoort. Met z’n allen delen wij dit kleine aardbolletje en wij dienen deze aarde te koesteren. Daar gaat het boek uiteindelijk over, ondanks alle tegenstrijdigheden, de verschillende opvattingen, culturen, de wegen die niet bewandeld hadden moeten worden…”

“Het gaat om het vinden van de eenheid in de veelheid?”

“Onder andere ja.”

“Ondanks die ondertoon heb ik vaak enorm moeten lachen om de dialogen. Je bent serieus en ook weer niet. Klopt dat?”

“Dank je. Klopt.”

“Ja, graag gedaan. Echt flauw soms en absurd ook.”

“Daar heb ik mijn best op gedaan. De alledaagse gesprekken. het gewone, het kleine, een paar mensen om tafel. Ik ben er tijdens het schrijven achter gekomen dat het alle kanten op kan gaan. Ik merkte zelf dat het steeds meer de kant van de parodie opging, maar dat is niet helemaal uitgewerkt. Wordt in De Ene Noot verder uitgediept. Ach, wie weet, over een jaar of zo, dan gaat het misschien wel weer de kant uit van een drama. Echt. ‘t Is allemaal nieuw en ik laat mij leiden door de stroom. Ik schrijf niet planmatig. Van nu dit en dan dat. Ik heb een bepaalde scène voor mij, of idee, een gebeurtenis en daarmee ga ik spontaan een paar dagen aan de slag. Is het iets, dan werk ik het verder uit…”

“Adam, je boek heeft mij verrast.”

“Het is mij een waar genoegen.”

“Maar, eh, veel dingen kloppen helemaal niet. Echt het meeste in je boek is niet eens waar. Je hebt het allemaal veranderd, wat Eva zegt klopt niet, wat jij zegt klopt niet. ‘t Is allemaal verzonnen. Hier, pak aan, krijg je een kussen voor je schedel. Ik ga met jou een gevecht aan! Hier dan! Het is nooit zo gebeurd.”

“Ja, jij hier ook een dik kussen voor je harses.”

“En dan die onzin over die wetenschapper dat alles een illusie is, een grote holografische projectie. Hier! Voel deze maar, dan voel je wat echt is en wat een illusie!”

“Au, niet zo hard!”

“En nog een! Allemaal echt. Alles is echt. Niks illusie! Voel je?”

“Ja, pak aan. Krijg je van mij een stevig pak rammel met veren.”

“Als je het nog niet wist; het boek is zo af en toe een persiflage. Dingen, woorden, namen in een andere context plaatsen. Woordspelletjes. Allemaal…”

“Deze op je kop.”

“De personages nemen een loopje met de schrijver.”

“Een loopje kun je krijgen. Nog een!”

“Ja, zo is het weer genoeg. Kom in mijn armen.”

“Zeg eens Adam. Wil je mij zoenen?”

“OK. Omdat jij het bent, lieve Eva.”

“Mmmm, dat was fijn.”

“Ja. Je kus is zoet. Hoe kan het toch Eva, dat jij zo lekker zoent?”

“Dat heb ik van jou geleerd, liefste.”


About this entry